Wat is web 2.0? Dat lijkt simpel te beantwoorden (namelijk: de tweede versie van het
world wide web), maar dat is het niet. Om twee redenen: het is een verzamelnaam voor een veelheid aan ontwikkelingen en het is een van oorsprong technische vernieuwing die echter sociale en maatschappelijke gevolgen heeft. Dat maakt web 2.0 lastig te duiden. De term web 2.0 is bekend geworden door Tim O’Reilly, uitgever van ICT-boeken en internetvisionair. Hij noemt de twee belangrijkste eigenschappen:
1.
The network is the platform: online is waar het gebeurt en dat brengt een andere manier van denken met zich mee;
2.
Users add value: een site of online voorziening wordt beter naarmate meer mensen er aan bijdragen (user generated content).
Zelf zou ik daar nog een paar andere Engelse termen aan toe willen voegen:
3.
Everyone’s connected: iedereen is aangesloten dus iedereen is potentieel bereikbaar;
4. Van
read only naar
read-write: ofwel van een medium om mee te zenden naar een interactief platform.
We hebben in het vorige hoofdstuk een aantal voorbeelden voorbij zien komen van de gevolgen en mogelijkheden van internet en web 2.0. Maar wat is nu web 2.0? Is er een definitie van? Wanneer is het web 2.0 en wanneer niet? Wikipedia, zelf een product van web 2.0, gebruikt de volgende definitie:
“Web 2.0 is a term describing changing trends in the use of World Wide Web technology and web design that aim to enhance creativity, information sharing, and collaboration among users.” (Wikipedia, augustus 2008)
Die definitie legt erg de nadruk op de technologische achtergrond van web 2.0 en wat die technieken mogelijk hebben gemaakt. Het is een stuk lastiger te definiëren welke mentaliteit en cultuur daar bij horen. In de komende paragraaf ga ik daar een aantal aspecten van benoemen.
Valerie Frissen, bijzonder hoogleraar ICT en Sociale Verandering aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en onderzoeker bij TNO, heeft in opdracht van het ministerie van BZK in het voorjaar van 2008 onderzoek gedaan naar de gevolgen van web 2.0 voor de overheid (zie ook Hoofdstuk 6). Uiteraard besteedt Frissen in haar rapport ‘Naar een user generated state’ ook aandacht aan definiëring. Ze heeft het over het ’sociale web’, waarbij wordt uitgegaan van netwerken, een open omgeving en ruimte voor gebruikers om bij te dragen. Web 2.0 is volgens haar
- het ontstaan van platforms op internet waar gebruikers zich kunnen organiseren, samenwerken, vriendschappen onderhouden, delen, ruilen, handelen en/of creëren, die
- open toegankelijk zijn en decentraal georganiseerd,
- waardoor een actieve inbreng van gebruikers mogelijk is
- en waar alles wat op die platforms gebeurt maximaal geëxploiteerd wordt.
Web 2.0 biedt volgens Frissen dus mogelijkheden voor burgers om zich decentraal te organiseren, gezamenlijk aan producten te werken (co-creatie), bijdragen (
user generated concent) te verzamelen en her te gebruiken (
remixability) en verder te bouwen op bestaande diensten.
Uiteindelijk zijn er drie woorden die mij het meeste opvallen in deze en andere definities en beschrijvingen. In onderstaande paragrafen zal ik van elk van deze woorden de aspecten benoemen die sterk samenhangen met web 2.0. Deze woorden zijn:
- open: toegankelijk en transparant;
- sociaal: uitgaande van mensen en de contacten daartussen;
- gebruiker centraal: mogelijkheden in handen van gebruikers geven om ‘hun ding’ te doen.
Deze opsomming heb ik altijd en overal in mijn achterhoofd. Hieronder zal ik ze alle drie verder uitwerken.
‘Open’ is een woord dat je veel tegenkomt op internet: open source is de bekendste, open standaarden wordt vaak in één adem genoemd, open data is dan een logische volgende, Open API is er zodat computers open data automatisch kunnen uitwisselen en OpenID om met één wachtwoord op al die sites in te kunnen loggen. In dit boek zul je ook open innovatie geregeld tegenkomen en in Hoofdstuk 6 komt Open Overheid aan bod.
Kortom, open zijn is een belangrijke eigenschap van internet en met name web 2.0. Dat laat zich ook verklaren door de geschiedenis van internet. Het van oorsprong militaire netwerk was natuurlijk allesbehalve open toen het werd opgericht. Voornamelijk dankzij Al Gore (toen nog als senator) is dit netwerk ook beschikbaar gekomen voor andere dan militaire doelen, in de eerste plaats onderwijs en onderzoek. Sindsdien is de discussie over de mate van openheid van internet en de invloed van staten erop regelmatig onderwerp van discussie. Mensen en computers vallen onder het rechtssysteem van een land, maar internet is nog steeds open en supranationaal.
Deze cultuur van openheid is de basis geweest voor veel innovaties op internet: openheid maakt het mogelijk om vernieuwingen te vinden, te verspreiden en aan te vullen. Organisaties die zich op internet te gesloten en intern gericht opstellen krijgen veel kritiek. Er wordt druk op hen uitgeoefend om opener te werk te gaan. Die roep om meer openheid levert ook nieuwe vragen op, bijv. rond privacy, auteursrecht en beslotenheid (en nieuwe oplossingen daarvoor), maar het uitgangspunt op internet is openheid. Vanuit die basis van openheid wordt vervolgens gekeken naar eventuele beperking daarvan.
Het eerste aspect van openheid betreft de eigen manier van werken, als individu of als organisatie. Transparantie in je handelen, je activiteiten en je resultaten is een voorwaarde voor vertrouwen. Om tot samenwerking te komen, deel te nemen aan een community (online gemeenschap) of betrokkenheid te genereren over jouw activiteiten moet je open zijn. Als je open bent, ben je echt. Geen dubbele agenda’s dus, maar een open vizier en een open hand.
Behalve transparant moet je ook vindbaar en toegankelijk zijn. Hierboven hadden we het al over de long tail. Elk project is een niche, er zijn vast mensen die met je project mee willen doen, maar hoe vinden ze je? Dat zal voor een groot deel afhangen van je imago: de sociale zeef geeft alleen door wat goed wordt aangeslagen (netwerkeffect, van mond tot mond). Een kenmerk van web 2.0-sites is ook dat ze meestal heel gemakkelijk in het gebruik zijn, dat je snel kunt zien wat er te doen is en dat je snel aan de slag kunt. Ook dat is een vorm van openheid.
Overigens betekent openheid niet dat alles maar op straat gegooid moet worden. Er kunnen diverse redenen zijn om zaken besloten of intern te houden en daar zal niemand raar van opkijken. Maar dat moet wel een weloverwogen keuze zijn. Openheid hoeft ook niet de hele wereld te betreffen, het kan ook gaan om openheid binnen een groep, een organisatie, een netwerk of ander samenwerkingsverband. Binnen dat verband en binnen die groep (en dat kan ook de hele wereld zijn) wil je immers samenwerken en kennis en ideeën uitwisselen.
Als je met mensen wil samenwerken, dan moet je daarvoor open staan. Dat klinkt voor de hand liggend, maar dat is het niet. Open zijn vraagt namelijk om actie. Het moet ook voor anderen duidelijk zijn dat die ruimte er is. Het genereren van betrokkenheid bij je site of je project is het moeilijkste wat er is. Die ruimte ontstaat als mensen bijvoorbeeld gemakkelijk lid kunnen worden van je site, voldoende inzicht krijgen in waar je mee bezig bent en diverse mogelijkheden krijgen om zelf bij te dragen. Ieders bijdrage is waardevol want het versterkt de community en de dynamiek.
Niet elke bijdrage zal direct de oplossing bieden die je zoekt, maar ergens in die dynamiek kan wel een oplossing ontstaan. Dat kan zijn omdat iemand die je nog niet in beeld had zich aansluit met dat ene idee, dat kan zijn omdat iemand voortbouwt op de basis waar je zelf mee bezig was, of het kan zijn omdat iemand naar aanleiding van de discussie of andere ideeën de juiste connectie legt. Maar die kruisbestuiving kan alleen plaatsvinden in een open omgeving waarin betrokken personen inzichten kunnen uitwisselen over jouw probleem. En voor dat idee moet je wel open staan.
Ik schreef hiervoor dat openheid cruciaal is om mensen te betrekken bij een onderwerp, product of probleem. Daar zit de tweede eigenschap van web 2.0: het sociale. Web 2.0 wordt ook vaak het sociale web genoemd, aangezien het steeds minder gaat om een internet van documenten en steeds meer om een internet van mensen. En omdat bijna iedereen op internet is aangesloten kun je gemakkelijk die mensen om je heen verzamelen die je voor een project of probleem nodig hebt. Dat sociale aspect uit zich in web 2.0 op verschillende manieren.
Eigenlijk kan het niet vaak genoeg gezegd worden: bij web 2.0 draait het om mensen. Ik wil geen sites bouwen, ik wil dat mijn boodschap overkomt bij andere mensen. Ik wil geen bijeenkomst organiseren, ik wil dat mensen samenkomen en in gesprek gaan. Samenlevingen en organisaties bestaan uit mensen en bij hen moet het dus gebeuren. Alles wat je als ambtenaar in je eentje doet of wil bereiken, zal nooit verder komen als niet andere mensen ermee aan de slag gaan, het doorvertellen, erop voortbouwen, etc.
De internetsites en instrumenten van web 2.0 hebben bijna allemaal een netwerkfunctionaliteit of krijgen het. Bekend zijn natuurlijk netwerksites als Hyves en
www.linkedin.com, maar steeds meer andere sites hebben een netwerk eromheen. Op YouTube kon je voorheen alleen je filmpjes uploaden, maar ondertussen kun je profielen maken, verbindingen leggen met andere mensen, je op hun werk abonneren, interessante filmpjes doorsturen, zien wat voor filmpjes die persoon leuk vindt, etc. Datzelfde geldt voor muziek op last.fm, voor foto’s op Flickr.com, voor documenten op
www.scribd.com en bij een wiki op
www.wetpaint.com.
De reden dat zoveel sites (kijk ook op
netwerk.ambtenaar20.nl) een profiel- en netwerkmogelijkheid toevoegen is omdat het de functionaliteit van de sites vergroot en verdiept. Als iemand in een wiki een tekst toevoegt, dan wil je immers weten wie die persoon is en wat voor achtergrond hij heeft. Dan pas kun je een opmerking op waarde schatten. Idem in een forumdiscussie of als je een blog leest. Het verdiept de samenwerking als je weet met wie je samenwerkt. Het verschijnen van dergelijke profiel- en netwerkmogelijkheden op sites is de erkenning dat het gaat om mensen en hun meningen en niet slechts om stukken tekst (of een filmpje, foto, etc.).
Het maakt dus niet uit rondom welk product of onderwerp men zich groepeert, er ontstaan constant en overal netwerken en groepen, meer en minder intensief, meer en minder langdurig, meer en minder serieus. Zo zit iedereen, ook IRL (de internetterm voor
in real life, buiten internet dus) in meerdere groepen, netwerken en samenwerkingsverbanden. Dat kunnen vrienden zijn of collega’s, over werk of over interesses, hiërarchisch of egalitair. Dat was altijd zo, maar op internet komen die verbanden duidelijker in beeld, bijv. in de sites waar je lid van bent, de subgroepen daarbinnen en de verbindingen (‘vriendjes’) die je hebt.
Opvallend aan deze netwerken en groepen is dat er nauwelijks een ingebouwde hiërarchie in bestaat. Er is natuurlijk een sitebeheerder en soms een redactie om de boel in de gaten te houden, maar over het algemeen heeft iedereen in een discussie of netwerksite eenzelfde pagina en dezelfde rechten. Dus krantenjongen of president, je hebt dezelfde profielpagina en je discussiebijdrage ziet er hetzelfde uit. Je gaat het gesprek aan in een plat vlak. Je positie in het sociale netwerk is voor het grootste deel gebaseerd op je bijdragen aan de community, je ideeën en inzet, niet je positie, opleiding of leeftijd.
Het egalitaire van dergelijke groepen versterkt de betrokkenheid en creëert nieuwe vormen van contact, samenwerking en kennisuitwisseling. Het is gemakkelijker om
bottom up initiatieven te laten ontstaan, te laten groeien en er draagvlak voor te vinden. Netwerken over organisatiegrenzen heen kunnen samenwerking versnellen en efficiënter maken. Vanuit je netwerken kunnen ook nieuwe ideeën boven komen drijven (à la crowdsourcing). Is het nuttig dan is het goed. Een voorbeeld: in Groot-Brittannië hebben een minister en een ambtenaar van een ander ministerie elkaar gevonden rond een onderwerp en houden ze via Twitter contact om hun onderwerp verder te brengen.
Het verdwijnen van hiërarchische structuren wil niet zeggen dat het allemaal chaos is. Open-source-projecten hebben ook sturing nodig, de redacteuren van Wikipedia hebben zelfs een hiërarchische structuur. Maar die structuur is gebaseerd op de kwaliteit en kwantiteit van het afgeleverde werk. De organisatie ontstaat dus op basis van ieders bijdrage in de groep. Datzelfde proces is vaak te zien bij online communities: vanuit het horizontale netwerk komen de meest actieve mensen bovendrijven en is er altijd wel iemand die ordening aanbrengt in de online omgeving. Aangezien iedereen dezelfde middelen tot z’n beschikking heeft kunnen wijzigingen ook altijd worden hersteld indien nodig. Dus als een bepaalde indeling of structuur blijft bestaan, dan wordt die blijkbaar gedragen door de deelnemers.
Een dergelijke zelfsturing en zelforganisatie vraagt natuurlijk wel betrokkenheid bij de groep. De reaguurder die elke avond twintig sites langsgaat om zijn mening rond te slingeren laat zich daardoor niet beïnvloeden. Maar als iemand betrokken is bij een community of netwerk, dan voelt hij zich verantwoordelijk voor wat er op z’n site gebeurt. Dan spreekt hij die persoon erop aan (bijv. in een discussie) of herstelt hij de eventueel aangerichte schade (bijv. in een wiki). Veel sites bieden hier ook een knop of functionaliteit voor aan, zoals op Hyves ‘Dit is niet OK’. Het is een manier om de betrokkenheid die mensen voelen bij de site of bij een onderwerp te gebruiken om een bijdrage te leveren aan de community.
Clay Shirky, schrijver van het boek “Here comes everybody: The power of organizing without organizations” gaat zelfs zo ver dat hij zelfsturende massasamenwerking als de belangrijkste organisatievorm voor de eenentwintigste eeuw benoemt. In de twintigste eeuw vormden centraal gestuurde, hiërarchische organisaties de krachtigste organisatievorm, de volgende eeuw is voor decentrale, horizontale netwerken, zo stelt hij. Niet omdat bedrijven niet meer zullen bestaan, maar omdat er een veelvoud aan maatschappelijke initiatieven, groepen en netwerken zal ontstaan die zich via sociale software op internet snel kunnen vormen en organiseren. We zullen de komende jaren dan ook een stijging zien van het aantal maatschappelijke activiteiten. De uitdaging voor de overheid zal zijn om in die branding de juiste golven te vinden om op te surfen.
In Hoofdstuk 2 stelde ik de digitale wereld voor als een wereld van niches. Iedereen is z’n eigen niche omdat iedereen een verzameling van interesses, activiteiten en contacten heeft die voor hem of haar uniek is. Omdat alles op internet fluïde is, stelt ieder z´n eigen omgeving samen. Je kunt die omgeving precies vormgeven zoals jij dat wil: wat je nodig hebt voor je werk, wat je verder nog interessant vindt, wat je krijgt aangeleverd vanuit je netwerk, etc. Er is zoveel informatie en er is zoveel te doen, je moet ook wel kiezen, want alles wat teveel is kost alleen maar tijd.
Creëer je persoonlijke dashboard Kortom, je wil je leven en dus je omgeving zo efficiënt mogelijk inrichten zodat je tijd overhoudt voor andere dingen en niet verzuipt in de informatievloed. Daarom is lifehacking momenteel zo populair: lifehackers zijn mensen die hun leven zo efficiënt mogelijk in willen richten en tips uitwisselen over welke trucs en tools je daarvoor in kunt zetten. En door web 2.0 kan dat ook heel gemakkelijk: er zijn diverse handige sites die je kunt gebruiken en omdat op internet veel met standaarden wordt gewerkt kunnen die instrumenten gemakkelijk met elkaar verbonden worden.
Daarmee kun je als internetgebruiker vervolgens je computer, je toegang tot de digitale wereld, personaliseren. In sites als
www.netvibes.com of
www.igoogle.com breng je die informatiebronnen (dankzij rss) en die applicaties (in widgets) bij elkaar die jij nodig hebt. Je mixt wat je nodig hebt van het internet in een zodanige samenstelling dat je een persoonlijk dashboard bij elkaar hebt geklikt. Je computer wordt zo je persoonlijke bril op de wereld. En niet alleen je computer op je werk, ook je computer thuis, je mobiele telefoon, je laptop in de trein, etc. Als je online bent, heb je je dashboard bij de hand.
Any time, any place, any device.
Een internetgebruiker verwacht dus dat hij z’n eigen omgeving kan creëren, dat hij zijn gebruik van internet naar z’n hand kan zetten. Die behoefte en verwachting eindigt natuurlijk niet bij zijn eigen dashboard, eenzelfde flexibiliteit wordt verwacht van andere sites. Als het web flexibel,
remixable en personaliseerbaar is, waarom zou hij dan op een site van een organisatie genoegen nemen met de opzet die iemand anders verzonnen heeft en voor elke bezoeker hetzelfde is? Als ik een internetsite met een bezoek vereer, wil ik ook daar zo snel en efficiënt mogelijk doen wat ik daar kwam doen.
Grote web 2.0-sites als YouTube en Hyves hebben dat goed begrepen. Zodra je bekend bent bij de site, kom je steeds op je eigen pagina binnen. Vaak kun je ook je eigen kleur kiezen zodat je het gevoel krijgt dat het jouw site is. Op die manier ontstaat een gevoel van betrokkenheid bij de site en voel je je meer op je gemak. Dat is belangrijk omdat die sites willen dat je een bijdrage levert op die site. Je laat iets van jezelf zien. Of dat nu foto’s of video’s zijn, je vrienden en contacten of je mening of idee. Om dergelijke
user generated content op tafel te krijgen moeten gebruikers het gevoel krijgen dat ze de ruimte hebben om zich te uiten en controle houden over wat ze daar neerzetten. Dus ook als ze alles weer willen verwijderen, dan moet dat kunnen.
Dat gevoel om als gebruiker controle te hebben over de omgeving waar je actief in bent, werkt zelfs door in de opzet van de sites zelf. Vaak staat naast het logo van de site het woordje
beta, bijv. bij
www.gmail.com of bij een site als
www.lifestrea.ms. In de softwarewereld staat dat voor een product dat nog niet af is, nog wordt getest en dus nog niet wordt uitgebracht. Op internet zijn het echter wel degelijk werkende versies, maar moet de
perpetual beta het gevoel oproepen dat de functionaliteit voortdurend wordt aangepast aan de wensen van gebruikers. De knop om ideeën of reacties in te sturen is meestal ook prominent aanwezig. Zo bepalen ze samen met hun gebruikers hoe de sites eruit zien en houden ze ruimte om door te evolueren.
Het verschil tussen web 1.0 (hoewel indertijd niet zo genoemd natuurlijk) en web 2.0 wordt met name geduid als de verschuiving van het initiatief van organisaties (bedrijven, overheden, etc.) naar individuen (consumenten, burgers, etc.). Computers zijn goedkoper geworden, software is vaak gratis beschikbaar (zie
www.download.com) en bijna overal is een breedband internetverbinding beschikbaar. Handige web 2.0-sites (vaak ooit begonnen als eenmansbedrijfje of start-up) bieden functionaliteiten waarmee je gemakkelijk online kunt publiceren en samenkomen. De gebruiker heeft steeds meer middelen tot z’n beschikking (empowerment), terwijl organisaties met hun grote systemen en logge structuren maar traag vooruitkomen. Als ik echt iets wil doen, ga ik thuis werken.
De gebruiker / consument / burger heeft dus alle middelen tot z’n beschikking om zijn interesses uit te werken en daarmee het wereldwijde platform te betreden. Hij kan muziek maken of mixen en publiceren op
www.myspace.com. Hij kan via Hyves of
www.schoolbank.nl oud-klasgenoten vinden en een reünie organiseren. Maar hij kan ook online een onderwerp agenderen (zoals
www.vroegopstap.nl) of een site voor z’n wijk opzetten. Als we als overheid deze energie willen gebruiken (bijv. bij internetconsultaties of bij crowdsourcing) dan moeten we nadenken hoe we een omgeving creëren (of een bestaande omgeving opzoeken) waarin hij mee wil doen. De communities waarmee we willen werken, bestaan uit deze gebruikers. Hoe geven we als overheid ruimte aan die betrokkenheid en dat potentieel?
‘Open, sociaal en de gebruiker centraal’, die drie begrippen liggen ten grondslag aan de verandering die op internet te zien is. Deze verandering noemen we web 2.0 of het sociale web. De drie begrippen omschrijven de cultuur die op internet ontstaan is en die ook voor een groot deel door internet en web 2.0 mogelijk gemaakt is. Maar internet staat niet los van de rest van de samenleving. De cultuur van internet en web 2.0 heeft steeds meer invloed op hoe we op andere gebieden tegen de wereld, en tegen de overheid, aankijken. Web 2.0 heeft zodoende een steeds grotere invloed op de samenleving. In het volgende hoofdstuk werk ik enkele aspecten daarvan uit.