Hoofdstuk 6: Overheid 2.0: de relatie tussen burger en overheidThis is a featured page


Een van de kenmerken van web 2.0 is dat internetgebruikers zelf informatie (in het Engels: content) kunnen toevoegen aan sites: foto’s, filmpjes, links, commentaren, waarderingen, tags maar ook artikelen. De verzamelnaam voor al deze gegevens is user generated content, dus informatie die is bijgedragen door gebruikers.


TNO-onderzoek “User generated State”


In het voorjaar van 2008 heeft Valerie Frissen vanuit TNO onderzoek gedaan naar de gevolgen van web 2.0 voor de overheid (zie ook Hoofdstuk 3). De titel van dat rapport is: “Naar een user generated state”. Ofwel, naar een overheid die werkt met bijdragen van de gebruikers. In het onderzoek laat ze tal van voorbeelden voorbij komen op de verschillende werkterreinen van de overheid:

  • Democratie 2.0, door het verbeteren van de informatie-uitwisseling, meningsvorming en mobilisatie van burgers;
  • Openbare dienstverlening 2.0, waarbij burgers actief deelnemen aan het verbeteren van publieke diensten;
  • Handhaving 2.0, met burgers die een actieve bijdrage leveren aan opsporing en handhaving;
  • Toezicht 2.0, waarbij burgers steeds meer een inspectierol op zich nemen en transparantie eisen van de overheid. Daarbij is een verschuiving waar te nemen van de rol die intermediaire organisaties van oudsher hebben.

Aanbevelingen

Hoewel er nog veel vragen zijn, kan de overheid volgens Frissen niet stil blijven zitten: “De grootste uitdaging voor overheid en openbaar bestuur is om hierop voorbereid te zijn.” De maatschappelijke ontwikkelingen vervolgen namelijk hun weg en de overheid moet aangesloten blijven. Ze heeft daarom een aantal aanbevelingen gedaan:

  1. Breng ambtenaren 1.0 in beweging: experimenteer meer!
  2. Waardeer de web 2.0-competenties van de netwerkgeneratie;
  3. Maak meer gebruik van kennis, informatie en creativiteit van burgers;
  4. Breng ervaringen, voorkeuren en problemen van burgers beter in beeld;
  5. Investeer in het oplossen van enkele nijpende knelpunten;
  6. Start experimenten met andere vormen van zelfregulering;
  7. Verken (praktische) consequenties van web 2.0 voor ambtenaar 2.0;
  8. Breng maatschappelijke risico’s van web 2.0 in kaart.

Vragen en risico’s

Behalve de kansen die web 2.0 biedt komen ook vragen bovendrijven. Wat betekenen deze veranderingen bijvoorbeeld voor:

  • legitimiteit, wanneer burgers taken van de overheid overnemen;
  • het gelijkheidsideaal, wanneer diensten steeds meer gepersonaliseerd worden;
  • privacy, als steeds meer informatie over burgers zichtbaar wordt;
  • culturele fragmentatie, als ieder zijn persoonlijke media-aanbod creëert;
  • de kenniskloof, tussen meer en minder mediawijze burgers;
  • de accuraatheid en kwaliteit van informatie, als manipulatie gemakkelijker wordt en bronnen onduidelijk zijn;
  • illegale content, auteursrechten en hergebruik van informatie;
  • de effecten van intensief internetgebruik.

Ik neem aan dat dit onderzoek nog wel een vervolg zal hebben. Maar belangrijker is dat we hier als ambtenaren zelf mee aan de slag gaan. Deze aanbevelingen en vragen hebben betrekking op ons werk. Wij zullen er dus iets mee moeten doen.

In de voorgaande hoofdstukken zijn al verschillende voorbeelden en verschillende manieren van interactie aan de orde gekomen. In de komende paragrafen zal ik een aantal van deze vormen verder uitdiepen en de spelregels ervan op een rij proberen te krijgen:

  1. Massasamenwerking: op basis van de spelregels die door Tapscott en Williams in hun boek zijn opgesomd;
  2. Communities: wat zijn de voordelen en de aandachtspunten bij het werken met communities?
  3. Open Overheid: overheidsinformatie als middel om creativiteit van burgers in te zetten om onze dienstverlening te verbeteren;


1. Werken met massasamenwerking


In Hoofdstuk 2 is uitgebreid gesproken over massasamenwerking en welke vormen dat aan kan nemen. Internet heeft veel mogelijk gemaakt op dat vlak en voor de overheid biedt het kansen om interactiever en efficiënter onze taken uit te voeren in samenwerking met de samenleving. Maar zowel voor ambtenaren als voor burgers is dit nogal een omslag in de manier van werken. Het luistert nauw, qua onderwerpen, qua houding, qua verwachtingen, etc. Als we hiermee willen gaan werken, dan moeten we goed nadenken over de wijze waarop.

Tapscott en Williams hebben voor hun boek “Wikinomics. How mass collaboration changes everything” veel mensen geïnterviewd bij bedrijven die al ervaring hebben opgedaan met web 2.0. Ze bespreken bij de vele voorbeelden ook waar de cultuuromslag voor die bedrijven heeft gelegen. Op basis daarvan komen ze uit op een aantal voorwaarden en adviezen voor massale samenwerking, die ik hieronder heb samengevat en vertaald. Ik loop ze puntsgewijs langs:

Being open, ofwel open zijn

  • Door meer informatie(bronnen) openbaar te maken en via een open standaard aan te bieden kunnen anderen met hun ideeën daarop aansluiten en verder bouwen;
  • Je moet daarbij wel een open houding hebben, open staan voor ideeën van buiten en niet alleen uit gaan van de kennis die je binnen je organisatie hebt;
  • Transparantie geeft ook vertrouwen, een belangrijke voorwaarde als je wil dat anderen met je mee gaan denken en tijd in jouw problemen investeren.

Peering, ofwel uitgaan van gelijkwaardigheid

  • Niet hiërarchie maar gelijkwaardigheid moet het uitgangspunt zijn indien je mensen wil bewegen om te participeren. En zelf ook daarin meedoen natuurlijk;
  • Elk proces heeft een vorm van organisatie nodig, maar die wordt niet van boven opgelegd. Zelforganisatie is de norm. Je kunt daarin wel een ondersteunende rol hebben;
  • Het belangrijkste voordeel van deze manier van werken is dat je aan het eind niet naar draagvlak voor het resultaat hoeft te zoeken, die is er namelijk al.

Sharing, ofwel delen

  • Het delen van kennis leidt tot een win-win-situatie aangezien je gezamenlijk naar één doel toewerkt;
  • Door tussenresultaten en nieuwe inzichten bekend te maken kunnen andere participanten daarop voortbouwen: “deze vuist op deze vuist”;
  • Het zorgt ook voor een effectievere inzet van middelen omdat de deelnemers geen dingen dubbel gaan doen.

Acting globally, ofwel over grenzen heen werken

  • Leg verantwoordelijkheid daar neer waar de kennis is en laat je niet beperken door de grens van je organisatie-eenheid of van je organisatie;
  • De mogelijkheden daarvoor zijn immers alom beschikbaar: vanaf werk of vanuit huis kun je op verschillende manieren met iedereen contact hebben en samenwerken;
  • Dat vergroot ook de behoefte aan standaard hulpmiddelen en ondersteuning: een keer bouwen, overal gebruiken. Grenzen zijn immers kunstmatig.

En, heb je mee geturfd? Hoe scoren we als overheid? Hoe doet jouw organisatie het? Het zal voor elke organisatie en voor elk project een zoektocht zijn welke van bovenstaande punten van Tapscott en Williams meer en minder van toepassing zijn. Ook daar moeten we dus ervaring mee opdoen. Zie hieronder een voorbeeld waar die ervaring al wordt opgedaan.


2. Communities


De overheid houdt zich beleidsmatig met alles bezig. De indeling in ministeries en de portefeuilles binnen een college zijn er om in principe alle onderwerpen en alle thema’s af te dekken. Als een nieuwe kwestie de kop opsteekt, dan wordt eerst nagegaan wie daar nu eigenlijk over gaat, zodat ook dat probleem een plaats krijgt en wordt opgepakt. Dat is ook de functie van de overheid: om overzicht te houden over al die onderwerpen, zodat burgers zich niet in elke kwestie hoeven te verdiepen.

Als burger beperk je je immers tot die onderwerpen die jou persoonlijk, je werk of je omgeving aangaan. Ik ben geïnteresseerd in zaken die relevant zijn voor mijn werk als ambtenaar, maar ontwikkelingen in bijv. het MKB gaan me minder aan. Ik wil betrokken worden bij wat er in mijn wijk gebeurt, maar eenzelfde kwestie in een andere stad raakt me minder. Ik wil bezig zijn met mijn interesses en hobbies, maar ik steek geen tijd in andere dingen die er in de wereld te doen zijn. Kortom, ik kies voor een beperkt aantal onderwerpen waar ik mijn energie in wil steken.

En zo zijn nog veel meer mensen die hun energie willen steken in de onderwerpen die mij boeien. Rondom zo’n onderwerp hebben we iets met elkaar. Rondom zo’n onderwerp zijn er heel veel mensen met interesse, kennis, ideeën en energie. Als die mensen bij elkaar kunnen worden gebracht in een groep dan kan dat dus heel wat opleveren. Zo’n community heeft een enorme potentie. Voordat internet bestond kostte het veel geld en veel tijd om mensen met eenzelfde interesse of belang bij elkaar te brengen in zo’n groep, club of vereniging: denk aan kosten voor advertenties, administratie, postzegels, etc. Via internet is dat echter zo gebeurd.

Het gevolg is dat voor elk onderwerp en elke interesse ondertussen wel een groep te vinden is op het web. Van lokaal tot internationaal, van klein tot groot, van de 11.000 leden van het wereldwijde Classroom 2.0-netwerk op www.ning.com tot de zeventien liefhebbers van chihuahua’s in Spokane, Washington, USA op www.meetup.com. Het draait om mensen en het draait op mensen: het zijn vrijwilligers die hun tijd en energie steken in de onderwerpen die hen aan het hart gaan. Op dergelijke (maar misschien niet specifiek deze) communities kunnen we als overheid ook inspringen. Die energie, kennis en ideeën kunnen we gebruiken als we met een onderwerp verder willen komen. Maar waarom zouden we dat eigenlijk moeten doen?

Waarom werken via communities?

Zoals gezegd werken we als overheid voor alle burgers maar heeft niet iedere burger interesse in elk onderwerp. Echter, rond elk thema of probleem is wel er een groep mensen in de samenleving actiever betrokken en meer geïnteresseerd. Als ambtenaar heb je dus altijd te maken met een meer of minder verbonden en georganiseerde maatschappelijke groep rond jouw onderwerp of taak. Die groep kan zichzelf natuurlijk organiseren en een eigen platform creëren, maar daar kun je als overheid ook een actieve rol in vervullen. En wel om de volgende redenen:

  • om externe kennis (of ideeën) in te kunnen zetten vanuit de community: kennis van specialisten (niet alle kennis is binnen je organisatie te vinden), locale kennis van bewoners of juist kennis van de laatste ontwikkelingen elders in de wereld;
  • om aansluiting en contact te houden met je gebruikers (burgers, klanten, etc.): enerzijds om te werken aan draagvlak en überhaupt de communicatielijnen open te houden, maar anderzijds ook omdat ze anders hun heil elders gaan zoeken;
  • om efficiënter te werken: met minder mensen meer doen omdat taken deels worden uitbesteed aan de community;
  • om de samenwerking tussen verschillende partijen gemakkelijker te laten verlopen, doordat je als het ware gezamenlijk aan een ronde tafel plaatsneemt. En daar zit je als ambtenaar dan natuurlijk ook bij!
Het belangrijkste is echter dat je je werk niet alleen doet. Je doet het altijd voor mensen en met mensen. En dan kun je die mensen maar beter betrekken en betrokken houden.

Geen internetconsultaties, maar communities

Dat is dus een heel ander perspectief dan wordt gehanteerd bij de internetconsultaties die momenteel vanuit de overheid worden georganiseerd. De ministeries van VROM en LNV zijn er erg actief mee en Justitie is er zelfs wetgeving voor aan het inrichten. Bij een internetconsultatie wordt bijv. de mening van burgers gevraagd over een beleidsterrein of over nieuwe wetgeving. Gedurende één of twee maanden is op de internetsite van een ministerie een discussieforum geopend waar burgers hun mening kenbaar kunnen maken en op elkaar kunnen reageren. Vervolgens wordt de discussie gesloten en worden de meningen meegenomen in het verdere ambtelijke proces.

Mijn belangrijkste bezwaar vanuit het perspectief van web 2.0 is eigenlijk dat het bij internetconsultaties vooral gaat over het (beleids)proces, een site en de teksten daarop. Maar het moet juist gaan over de mensen en hun bijdrage. De deelnemers aan de discussie zijn nu voorbijgangers op een site: een mening geven en dan weer weg. Terwijl we eigenlijk de groep van geïnteresseerde burgers te pakken hebben in zo’n consultatie. Alleen houden we die niet vast: we bouwen elke keer een community en laten die vervolgens weer uiteen vallen.

Je moet dus beginnen bij de community van mensen die betrokken zijn bij het desbetreffende onderwerp. Zoek ze op of breng ze bijeen. Via de internetconsultaties hebben we heel wat mensen bij deze onderwerpen weten te betrekken en netwerken in beeld gekregen, dat moeten we vasthouden, als community en als platform. Dat is de plek waar de maatschappelijke discussie kan plaatsvinden, waar je als burger of belanghebbende kunt meepraten, waar je op de hoogte wordt gehouden en waar je betrokken wordt bij de activiteiten van de overheid op dat gebied. Met een dergelijk platform ondersteunt de overheid de maatschappelijke discussie en vervult ze haar rol als facilitator of provider.

Een dergelijk platform moet uiteraard wel voldoen aan de drie voorwaarden ‘open, sociaal en de gebruiker centraal’ (zie Hoofdstuk 3). Zo kun je als deelnemer een profiel maken, zien wie iemand kent ('vriendjes') en anderen uitnodigen om deel te nemen aan de discussie en het netwerk. Maar daar wordt ook zichtbaar hoeveel je hebt gereageerd en wat anderen daarvan vonden. Je kunt op de hoogte blijven over het onderwerp doordat externe bronnen via rss getoond worden, zoals artikelen, blogs, relevante sites, discussies elders, etc. En de gang van zaken in de Kamer en Europa kan ook worden gevolgd, bijv. via integratie met Parlando of Ikregeer.nl. Op deze manier ontstaat een platform waar je vervolgens ook als overheid je vragen (internetconsultaties) in kwijt kunt.

Vragen om jezelf vooraf te stellen

Web 2.0 en de bijbehorende mogelijkheden om meer efficiënt en interactief je werk te doen zijn allemaal nieuwe middelen waar we als ambtenaren zo goed als geen ervaring mee hebben. Er zijn nog weinig voorbeelden om te kopiëren en er zijn nog geen handleidingen beschikbaar voor hoe je zoiets aanpakt. Het is een nieuwe manier van werken. Daar komt bij dat het opzetten van zo’n platform erg nauw luistert. Je moet de juiste toon aanslaan. In dit boek heb ik verschillende handreikingen, adviezen en tips opgeschreven om daarbij te helpen. Maar uiteindelijk moet ieder zelf bepalen waar hij voor kiest in zijn werk.

Om goed te kunnen kiezen moet je jezelf de juiste vragen stellen. Tijdens een bijeenkomst over e-participatie dit voorjaar kwam Mark van Twist, bijzonder hoogleraar te Nijmegen en verbonden aan de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, tot enkele ontwerprichtlijnen, ofwel de vragen die je langs kunt lopen als je wil beginnen met een community of andere vorm van massasamenwerking. Je moet daarbij nadenken over:

  1. de identificatie van deelnemers: moeten mensen die bijdragen zich identificeren of niet? Is een e-mailadres genoeg? En bij welk soort onderwerpen is dit relevant?
  2. representativiteit: streef je naar representatieve vertegenwoordiging of ben je gewoon op zoek naar goede ideeën, meer kennis, etc.?
  3. dominante standpunten: wat doe je als je community gekaapt wordt door een dominante partij of belang?
  4. de motieven van deelnemers: welke belangen hebben mensen om bij te dragen? Dat kan zijn uit betrokkenheid of plezier, om vrienden of contact te maken, waardering en reputatie te krijgen of om creativiteit kwijt kunnen in een nieuwe uitdaging. Wat heb je in dat kader te bieden?
  5. transparantie: werken via een community vereist dat je proces volledig transparant wordt. Wil je dat wel? Kun je dat wel?
  6. regie: werken met een community betekent dat je als overheid het stuur op bepaalde punten en op bepaalde momenten los laat. Hoe ga je daarmee om? Waarop blijf je wel sturen? En pak je op sommige momenten het stuur weer in handen als dat nodig is?
  7. doel: wat wil je zelf uit de community halen? Hoe ga je de bijdragen vertalen naar de eigen opdracht?
  8. afbakening: communiceer je vooraf over de beperkingen (onderwerp, budget, regelgeving, etc.) of laat je mensen vrij denken en discussiëren en trechter je achteraf?
  9. besluitvorming: hoe is de afstemming met de politiek en de hiërarchie? Hoe krijgt de community een plek in het proces?
  10. onderwerpen: welke onderwerpen zijn geschikt? Hoe groot of hoe klein? Welke begrenzing?
Dus als je met communities wil gaan werken, denk dan even aan dit vragenlijstje.

Waar moet je vervolgens op letten?

Hoofdstuk 6: Overheid 2.0: de relatie tussen burger en overheid - Het boek Ambtenaar 2.0Als je als overheidsorganisatie gebruik wil maken van communities, dan moet je rekening houden met enkele spelregels:

  • Je vraagt van burgers en betrokkenen om tijd en moeite te investeren in de community en in wat jij als ambtenaar wil bereiken via het platform. Dat betekent dat je deelnemers wel de ruimte moet geven om iets te doen (bijv. iets maken, een mening geven, etc.). En dat betekent dan weer dat je moet kunnen loslaten, je moet controle uit handen geven;
  • Daarnaast moeten deelnemers de middelen krijgen om iets te kunnen doen. Die middelen kunnen zijn de juiste voorzieningen op een site, maar ook voldoende achtergrondinformatie en bijv. onderzoeksgegevens. Met te weinig input zal de output ook niet hoog zijn;
  • Doe zelf mee: als massasamenwerking onderdeel is van je werkwijze, dan moet je zelf ook deelnemen aan de community, op gelijke voet. Ross Mayfield, van het bedrijf SocialText, noemt dat in-the-flow opereren versus above-the-flow blijven zweven. Je bent zelf onderdeel van de community en faciliteert vanuit die positie;
  • Dat faciliteren houdt onder andere in dat je de boel ook gaande moet houden. In principe kan iedereen natuurlijk meedoen, maar niks gaat vanzelf. Nieuwe leden verwelkomen, discussies starten, aanzetten tot initiatieven, ambassadeurs vinden, de balans in de discussie in de gaten houden, motiveren en enthousiasmeren, het hoort er allemaal bij;
  • Maar uiteindelijk gaat het niet om jou en de een-op-een-contacten die je hebt, het gaat erom de community in beweging te krijgen en onderling interactie te laten hebben. Zorg ervoor dat daar mogelijkheden voor zijn, dat iedereen bijdragen kan leveren en dat deelnemers elkaars bijdrage vervolgens ook kunnen beoordelen bijvoorbeeld (peer review);
  • Het is geen vrijheid, blijheid. Een lange-termijnplanning is nodig om mensen en activiteiten te focussen, samenwerkregels en afspraken zijn nodig om de community te organiseren en het moet mogelijk zijn om in te grijpen als van de regels wordt afgeweken;
  • Met één persbericht naar de krant heb je niet je community bij elkaar. Dat moet groeien over een langere periode, uit verschillende groepen wil je mensen bij elkaar krijgen. Walk the talk: nodig mensen uit, vermeld het bestaan van de community op andere blogs, stel een widget ter beschikking die anderen op hun site kunnen zetten, probeer een netwerkeffect in gang te zetten (bijv. met een viral die geïnteresseerden weer doorsturen in hun netwerk), gebruik rss, etc.
  • Maar het allerbelangrijkste is: wees jezelf. Wees eerlijk, open en authentiek, dat levert vertrouwen op.

Maak gebruik van de mogelijkheden

Uit eigen ervaring weet ik dat we als ambtenaren vaak sterk gericht zijn op tekst en discussie. Misschien dat dat de reden is dat voor online interactie vaak wordt gekozen voor een discussieforum als middel. Vaak wordt dat een beetje saai. Niet zozeer inhoudelijk, maar wel qua dynamiek, interactiemogelijkheden, multimedialiteit, e.d. De nadruk ligt vooral op het uitwisselen van stukjes tekst in chronologische volgorde. Er wordt nauwelijks gebruik gemaakt van video (vanuit onszelf of via een mogelijkheid te uploaden), geen embedded kaartmateriaal (bijv. een kaart van waar de reacties vandaan komen), het ontbreekt aan een mogelijkheid om foto’s te uploaden (bij een discussie over wijkinrichting of landschap bijv.) en ga zo maar door.

Als je dan toch met tekst aan de slag gaat, er zijn ook meerdere manieren om meningen en discussie te visualiseren. Dat kan door de discussie te voeren in visuelere omgevingen, bijv. een 3D-omgeving of een serious game. Maar je kunt discussies ook op een andere manier weergeven dan alleen teksten onder elkaar: rond onderwerpen, in een tijdlijn, door woorden te filteren, etc. Voor een verregaand voorbeeld, kijk bij BBC White Spectrum. Of de site www.wefeelfine.org, een zoekmachine die bijhoudt hoe de mensheid zich voelt door blogs te doorzoeken op het woord feel. Ik ben erg benieuwd wat voor nieuwe vormen van meningsvorming en uitwisseling de komende tijd nog zullen verschijnen.


3. Open Overheid


Sinds 2006 kunnen burgers bij de site www.politix.nl terecht om te volgen welke wetsvoorstellen naar de Tweede Kamer gaan en hoe de partijen daarop stemmen. Als je op de hoogte wil blijven welke Kamervragen er gesteld worden en wat de antwoorden daarop zijn kun je op www.ikregeer.nl kijken en je abonneren via rss, e-mail en Twitter. Beide sites maken daarbij gebruik van overheidsinformatie, maar geen van beide is een overheidssite. Het zijn initiatieven van betrokken burgers die een bijdrage leveren aan het versterken van de democratie. Zouden we dat niet meer willen zien?

Een voorbeeld: de (on)toegankelijkheid van parlementaire informatie

De informatiebron waar deze sites gebruik van maken en waar ze naar verwijzen is Parlando, de online verzameling van Officiële Publicaties van de Nederlandse staat. Alle publicaties zijn via deze site te vinden. Echter, de site werkt alleen op zichzelf: de informatie kan niet op een andere manier worden hergebruikt; Er kan zelfs geen link naar een Kamerstuk worden gemaakt. Politix.nl hierover:

“Alle informatie komt uit Parlando, waar alle parlementaire stukken vanaf 1995 te zien zijn. Met het dossiernummer en Kamerstuknummer van een voorstel, kun je op Parlando het originele Kamerstuk terugvinden. Wij hadden deze informatie natuurlijk ook liever direct gelinkt, maar dat is te modern en te open voor Parlando.”

Ook het veel gelezen webtijdschrift www.sargasso.nl, dat schrijft over wetenschap, politiek en cultuur, klaagt over de geslotenheid van Parlando:

“Sinds enige dagen ben ik nu bezig met de serie ‘Kamerstukken van de dag’, een poging mijnerzijds om politiek toegankelijker te maken en de betrokkenheid te verhogen. Maar in die poging voel ik me al gelijk geblokkeerd door het informatiesysteem van het parlement: Parlando.”

Uiteindelijk is dat probleem deels opgelost door de site www.geencommentaar.nl. Ze hebben een site vóór Parlando gebouwd. Deze site vindt niet alleen de benodigde Kamerstukken maar geeft ook een link naar het document die je kunt blijven gebruiken. Een heel handige oplossing dus en ik weet dat ook veel ambtenaren er gebruik van maken. De vraag is echter: waarom is het nodig? Waarom zijn er drempels voor burgers om gebruik te maken van deze informatiebron van de overheid?

De site Ikregeer.nl moest een nog grotere drempel nemen voordat ze met hun dienst konden beginnen. Vanaf deze site wordt niet alleen doorverwezen naar de Kamervragen. Om meer functionaliteit te kunnen bieden zijn de documenten zelf allemaal van Parlando overgezet naar de eigen site. Daardoor biedt de site nu een scala aan mogelijkheden om te abonneren, te reageren, overzichten te maken, etc. Een aanwinst voor elke geïnteresseerde burger en ambtenaar. Sterker nog, het ministerie van VROM gebruikt de site zelfs in z’n jaarverslag over 2007. Maar dat was dus pas mogelijk na het bouwen van een technische omweg om de documenten te kunnen gebruiken.

Ondertussen is bij de Tweede Kamer hard gewerkt aan een parlementair informatiesysteem (Parlis), dat de interne informatiestromen moet gaan organiseren. Echter, zowel www.overheid.nl als www.tweedekamer.nl verwijzen nog steeds naar Parlando voor documenten. Blijkbaar is het lastig om een site te bouwen om die documenten goed voor burgers te ontsluiten. Dat is overigens ook niet waar Sargasso, Politix.nl en Ikregeer.nl om vragen. Ze willen geen site, ze willen de documenten. Als ze gemakkelijker toegang zouden hebben tot de informatiebronnen, zouden ze die site en de handige functionaliteiten namelijk zelf kunnen bouwen. Dat moet toch te doen zijn?

Wat is Open Overheid?

Open Overheid is een initiatief om meer overheidsinformatie online beschikbaar te stellen in een open format, zoals XML of rss, of via een API. Natuurlijk moet de overheid ook zelf zorgdragen voor gebruikersvriendelijke internetsites waar je overheidsinformatie kunt vinden. Maar we hoeven niet alles zelf te verzinnen. Door de informatie open beschikbaar te stellen, kunnen anderen erop voortbouwen en met innovatieve toepassingen komen, zoals Ikregeer.nl. Zo kan open overheidsinformatie een steun voor de democratie zijn en innovatie versterken.

Nederland kent natuurlijk al de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob). Die geeft burgers het recht inzage te vragen in documenten van de overheid. De onderzoekscommissies van Wallage en Wolffensperger hebben echter opgeroepen meer informatie actief vanuit de overheid openbaar te maken. Vanuit de ICTU is vervolgens begonnen met het openbaar maken van informatie via internet, vooral gericht op regelgeving, vergunningen en bekendmakingen. Ze zijn bij diverse gemeenten nu online in te zien, maar ook deze zijn niet herbruikbaar (bijv. om in Funda te laten zien wat er rond een huis is gebeurd of nog gaat gebeuren).

Daarnaast werd door ICTU een begin gemaakt met het ontsluiten van databases. Het gaat in dit verband om databases waarvan de inhoud volgens de Wob een openbaar karakter heeft en die bruikbaar zijn voor burgers en bedrijven. Het kan hierbij gaan over meetresultaten, statistische gegevens, adressen van instellingen (bijv. scholen, gemeenten), kaartmateriaal, etc. Dit laatste initiatief heeft helaas nog maar weinig zichtbare voorbeelden opgeleverd. En de voorbeelden die er zijn, lenen zich ook weer slecht voor hergebruik. Zo heeft de Voedsel en Waren Autoriteit wat onderzoekrapportages online staan, maar ook deze zijn alleen via een zoekmachine te gebruiken.

Het potentieel

De conclusie is dat we op verschillende fronten bezig zijn om informatie online beschikbaar te stellen, maar dat die informatie over het algemeen alleen toegankelijk is via een specifieke overheidssite en als je er specifiek naar gaat zoeken. Maar als burger wil ik helemaal niet naar de site van de gemeente, naar de milieudienst West-Holland of naar de VWA hoeven te gaan als ik bijv. wil weten of er problemen zijn met een vergunning bij mij in de buurt. Al die informatie, uit verschillende bronnen, wil ik ontvangen in een omgeving die ik zelf kies. Via mail, via rss of op een site die daar een handige functionaliteit voor heeft ontwikkeld.

Dat is niet iets wat de overheid hoeft te ontwikkelen. Er zijn genoeg bedrijven en initiatieven die in dat gat zullen springen. Neem www.buurtlink.nl, een site die op basis van postcode allerlei informatie en voorzieningen bij elkaar brengt. Wat we wel moeten doen is de informatie die we als overheid verzamelen beschikbaar stellen zodat een bedrijf als Buurtlink, of welke creatieveling dan ook, er iets mee kan bouwen. Dan geven we de creativiteit van burgers en de innovativiteit van bedrijven de ruimte. Ik ben benieuwd wat voor interessante sites en mash-ups dat zou opleveren!

Er zijn inmiddels prachtige voorbeelden die vaak, voor de persoon die ze kan vinden, waardevolle maar ook gewoon leuke informatie opleveren. Een bekende mash-up is www.everyblock.com, waar de inwoners van diverse Amerikaanse steden informatie kunnen halen over gepleegde misdaden in hun postcodegebied, maar zich ook kunnen informeren over horecacontroles, bouwvergunningen en dergelijke. In de Nederlandse context kennen we www.misdaadkaart.nl of www.alarmeringen.nl. Via rss kun je die informatie dan weer gebruiken in je eigen informatievoorziening. Zo krijg ik in Netvibes bericht van alle alarmeringen van politie en brandweer in de buurt van mijn huis.

Veel mash-ups gebruiken kaartmateriaal (bijvoorbeeld Google Maps) om de informatie via een kaart te presenteren. Het moment dat Google deze informatie vrijgaf (medio 2005) kan daarom gezien worden als een start van een nieuw tijdperk. De informatie van Google is ook beschikbaar via een API, waardoor de informatie snel en gemakkelijk geïntegreerd kan worden met andere informatie. Het resultaat daarvan is een interactieve kaart die vervolgens weer in een pagina opgenomen kan worden door te embedden of met widgets. Voor meer informatie over Nederlandse mash-ups met kaarten, zie www.nederkaart.nl.

Mijn verwachting is dat mash-ups nog maar het begin zijn een grotere ontwikkeling. De kern van de mash-up is het verzamelen, integreren en presenteren van informatie. Met alle informatie op het internet zijn de mogelijkheden onbeperkt. Het lijkt een kwestie van tijd te zijn voordat via slimme interfaces (met eventueel geografische informatie) aan onze informatiebehoefte steeds sneller en beter tegemoet wordt gekomen. Een vraag als “welke fietspaden in mijn wijk zijn veilig” kan dan beantwoord worden door via een kaart, voor een bepaalde periode, informatie te presenteren over alarmeringen, misdaad, werkzaamheden, etc. De techniek is er klaar voor.

Open Overheid Principes

Ook in de Verenigde Staten wordt ingezet op de openbaarmaking van overheidsinformatie, getuige het plannen van presidentskandidaat Barack Obama: “Obama plans to make government data available online in universally accessible formats to allow citizens to make use of that data to comment, derive value, and take action in their own communities”. Als we in Nederland met Open Overheid aan de slag willen dan is het natuurlijk wel van belang dat we nadenken over de manier waarop we dat gaan doen. Uiteraard dient er bij het beschikbaar stellen van informatie rekening gehouden te worden met aspecten als privacy, maar er zijn nog meer randvoorwaarden.

In de Verenigde Staten is een Open Government Working Group opgezet die de openbaarmaking van overheidsinformatie propageert (zie www.opengovdata.org). Deze werkgroep heeft een aantal principes opgesteld waaraan open overheidsinformatie moet voldoen. Dit lijkt me een goede checklist om ook in Nederland te gebruiken. Vandaar dat ik ze hier graag citeer (in het Engels):

“Government data shall be considered open if they are made public in a way that complies with the principles below:

  • Complete : All public data are made available. Public data are data that are not subject to valid privacy, security or privilege limitations.
  • Primary: Data are collected at the source, with the finest possible level of granularity, not in aggregate or modified forms.
  • Timely: Data are made available as quickly as necessary to preserve the value of the data.
  • Accessible: Data are available to the widest range of users for the widest range of purposes.
  • Machine processable: Data are reasonably structured to allow automated processing.
  • Non-discriminatory: Data are available to anyone, with no requirement of registration.
  • Non-proprietary: Data are available in a format over which no entity has exclusive control.
  • License-free: Data are not subject to any copyright, patent, trademark or trade secret regulation. Reasonable privacy, security and privilege restrictions may be allowed.

Compliance must be reviewable, which means:

  • A contact person must be designated to respond to people trying to use the data;
  • A contact person must be designated to respond to complaints about violations of the principles;
  • An administrative or judicial court must have the jurisdiction to review whether the agency has applied these principles appropriately.”

Samenvatting

In het begin van dit boek heb ik uitgebreid proberen te schetsen wat de impact is van het feit dat plaats en tijd niet meer bestaan op internet. De meeste tijd brengen we echter nog steeds door in de fysieke wereld, waar die dimensies nog steeds bepalend zijn voor hoe we onze wereld inrichten. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat vaak online een kopie wordt gemaakt van de materiële wereld. Dat is duidelijk te zien bij de opzet van overheidssites. Het zijn virtuele gebouwen met een ingang, een organisatiestructuur en voor alles een plek. Tot in de puntjes georganiseerd volgens strikte regels.

Dat is echter steeds minder hoe de samenleving werkt. Elke burger met enige programmeerkennis kan zo’n zelfde gebouw neerzetten, of een beter werkende versie ervan, of een bruikbaar onderdeel ervan. Ook hier zullen we moeten bekijken wat we als overheid zelf moeten doen en waar we juist initiatief uit de samenleving moeten stimuleren. De rijkdom aan informatie die de overheid bezit is een katalysator voor dergelijke burgerinitiatieven en kan nieuwe bedrijven of zelfs bedrijfstakken aanzwengelen. Daarom moeten we als overheid meer nadruk leggen op het in een open format beschikbaar stellen van overheidsinformatie: Open Overheid.



No user avatar
opstelten
Latest page update: made by opstelten , Jun 5 2010, 5:50 PM EDT (about this update About This Update opstelten Edited by opstelten


view changes

- complete history)
Keyword tags: None
More Info: links to this page
Started By Thread Subject Replies Last Post
KeesvanderRiet tekstuele verbetering 1 Jan 5 2009, 2:24 AM EST by idavied
Thread started: Dec 30 2008, 5:53 PM EST  Watch
Zo krijg.... ik in Netvibes bericht van alle alarmeringen van politie en brandweer in de buurt van mijn huis
1  out of 1 found this valuable. Do you?    
Keyword tags: None
Show Last Reply
Showing 1 of 1 threads for this page